In 1923 werd Peter Petersen, professor in de opvoedkunde, gevraagd een school in Jena op te zetten volgens zijn ideeën. Petersen maakte een korte beschrijving van het concept van deze school, onder de titel Het Kleine Jenaplan.
Petersen wilde in denken en doen een bijdrage leveren aan een menselijke samenleving, waarin zoveel mogelijk mensen zich als vrije verantwoordelijke mensen willen inzetten voor anderen.
De ideeën van Peter Petersen zijn in Nederland op een eigentijdse manier verwoord in 20 basisprincipes. Deze basisprincipes zijn ook de pedagogische uitgangspunten voor JenaXL. Ze zijn verwerkt in vier basisactiviteiten: gesprek, spel, werk en vieren. Ze zijn algemeen menselijk en fundamenteel voor samen mens worden en mens zijn. Het zijn sociale activiteiten die elkaar aanvullen, waarbij volwassenen en leerlingen samen actief zijn en waarbij de totale persoon wordt aangesproken.
De gedachte hierachter is dat het in het schoolleven niet alleen maar om werken gaat, zoals dat ook in het echte leven niet het geval is. Daarbij wordt erkend dat mensen op verschillende manieren leren: met hoofd, hart en handen. De basisactiviteiten gesprek, spel, werk en vieren komen alle vier terug in het ritmisch weekplan.
Wij werken met vier uitgangspunten: gesprek, spel, werk en vieren. De twintig basisprincipes uit het Jenaplanconcept zijn de grondslag voor deze uitgangspunten. Gesprek staat voor het intensieve contact tussen leerlingen onderling en met de medewerkers. In het spel ontdekt de leerling zichzelf en de ander. Werk is het opdoen van kennis en vaardigheden. Talen, wiskunde, biologie, geschiedenis en veel andere vakken zijn nodig om de wereld te begrijpen. In vieringen staan we stil bij belangrijke momenten in het schooljaar.
Jenaplan gaat uit van verschillen. Elk kind moet zich op zijn eigen niveau kunnen ontwikkelen. We willen dat leerlingen kunnen leren zoals ze dat in het dagelijkse leven ook doen: van elkaar en met elkaar. In onze (stam-)groepen zitten leerlingen van alle niveaus en van verschillende leerjaren. Ze doen veel dingen samen – onder andere projecten – maar krijgen tegelijkertijd volop individuele aandacht en kunnen zich in hun eigen tempo ontwikkelen.


